Historie

Graag neem ik u mee in de tijd terug zo’n 45 jaar geleden!

Zojuist waren onze Kapucijnen ter erkenning voorgedragen en ingezonden op Ornithophilia als nieuw ras, en hadden daar veel aandacht getrokken.

Henk Moezelaar toen onze voorzitter en promotor  vroeg zich in het openbaar echter af, of in het verleden de Kapucijnen wel echt hadden bestaan.

De onvolprezen tekenaar en publicist C.S.Th. van Gink reageerde op deze vraag middels een artikel in Avicultura uit het jaar 1958. Lees met mij mee!

 

Jan de Wit

 

Raadsheren – Cappers – Kapucijntjes

Met veel genoegen heb ik het artikel van de heer Moezelaar, getiteld “De duifjes van Jan Steen” gelezen. En jawel heer Moezelaar deze duifjes hebben werkelijk bestaan, zowel in Duitsland als Engeland. In Avicultura zijn door ons in 1924 en 1928 foto’s gepubliceerd van zwarte Kapucijnen uit de fokkerij van wijlen B. Strübe te Bernburg. Die ze ongeveer 60 jaar terug van de Turkse duivenhandelaar Seizanis te Smyrna ontving, tegelijk met een  aantal  gekochte Oosterse Meeuwen. Ook in 1906 werden opnieuw Kapucijnen uit Smyrna geïmporteerd door Dr. Paul Trübenbach. De dieren dezer laatste zending stierven  betrekkelijk kort na aankomst. Zij konden de rui niet doorstaan. Deze Kapucijnen afkomstig uit het binnenland van Klein-Azië, komen alleen in de zwarte kleurslag voor. Vermoedelijk zullen ze er nog wel bestaan. Om verder misverstand te voorkomen zij echter nadrukkelijk opgemerkt, dat er een groot verschil bestaat tussen deze Kapucijnen uit Klein-Azië en de Oud-Hollandse Kapucijntjes, waarop de heer Moezelaar doelt. Eerst genoemde hebben een laag aangezette schelpkap met een soort rozetje aan weerszijden. Zij zijn witstaartig en komen alleen in de zwarte kleurslag voor. Ze zijn klein en dragen de vleugels beneden de staart. Dat men deze duiven uit Klein-Azië de naam Kapucijner heeft gegeven, berust wel op het feit, dat deze naam “Kapucijner” zeer oud is en men gemeend heeft te doen te hebben met de duiven van die naam, die sinds

Moore zijn “Columbarium” schreef, ongeveer 250 jaar geleden, bestaan hebben. In een Londens nieuwsblad uit 1728 worden naast “Jacobins” (Raadsheren) en andere duivensoorten ook “Capuchins” genoemd. Inlichtingen waren te bekomen, zo eindigde de advertentie, in de Windmolen in Nicholas Lane bij Canon Street.Daar de beroemde Moore in of vlakbij Canon Street  woonde, waren wellicht sommige van de ten verkoop aangeboden duiven uit diens fokkerij. Moore zegt in zijn boek, dat de “Capuchine” veel gelijkenis heeft met de Jacobine (Raadsheer). Hoewel sommigen zo zegt hij de Capuchine als een apart ras beschouwen, is hij geneigd ze als bastaards van Raadsheren met een ander ras te beschouwen. Naast de Jacobine, die klein verlangd werd, noemt Moore ook de “Ruf”, welke gebruikt werd om de kraagveren der Jacobines (Raadsheren) langer te fokken, waardoor een grotere en meer losvederige duif ontstond. Willughby zegt in zijn “Ornithology” dd. 1678: “Jacobins are called by the  Low Dutch Cappers, because in the hinder-part of the head or nape of the neck, certain feathers reflected upward, encompass the head behind, al most after the fashion of a monk’s hood”. (Vert.: Jacobins worden door de Nederlanders Cappers genoemd, omdat aan de achterzijde van de kop, het bovenste gedeelte van de nek, een zeker aantal veren opwaarts gericht zijn en de kop van achteren omsluiten, wrijwel op de wijze als bij de monnikskap).

De ongeveer 40 Kapucijnen, die als primeur op “Ornitophilia” hun opwachting maakten, gaven een goed beeld van wat er in dit oude ras bestaat. Toch waren er slechts enkele dieren bij, die aan de speciale eisen met betrekking tot de kap voldeden. Men wil een standaard samenstellen, welke de diverse eisen nauwkeurig omschrijft. Er bestaan drie oogkleuren: donker, parel en oranje. De laatste is het moeilijkst te combineren met de witte kop. Kap en kraag zijn van kardinaal belang, moeten dan ook goed omschreven worden. De Kapucijn heeft een vrij lange hals waardoor de kraag beter uitkomt dan b.v. dieren met een korte hals zoals bij de Kormorner Tuimelaar het geval is.Men mag verwachten dat voor de Oud-Hollandse Kapucijn zeker veel belangstelling zal ontstaan, daar het een zeer sierlijke duif is, die ook voor de beginnende liefhebber bijzonder geschikt is.

C.S.Th. van Gink

Uit “Lehrmeister im Garten und Kleintierhof”Leipzig, Nov. 1913

Kapucijnduif – Bron: Kurz und Rund 2001, Infoheft Sondervereins der Mövchenzüchter von 1894. Archief Günter Greisel, Mindelheim

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.