Kapucijnologie

De Oud Hollandse Kapucijn is al jarenlang Neerlands meest populairste vertegenwoordiger uit de groep structuurduiven. Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk omdat het ras reeds vaste voet aan de grond kreeg in ons kikkerlandje ten tijde van  de Verenigde Oost-Indische Compagnie.  De  toentertijd  door  zeelieden meegebrachte dieren  belanden vooral op de boerenhoeven.  De bewijsvoering van hun aanwezigheid is o.a. geleverd door grote meesters als Jan Steen en Melchior d’Hondecoeter. Heden ten dage zijn de kapucijntjes van toen te bewonderen in musea.

Vanaf het moment dat de kapucijn, onder aanvoering van Henk Moezelaar,  de status van tentoonstellingsduif  bereikte is het crescendo gegaan met het ras. Een belangrijke voorwaarde om te kunnen meedingen op tentoonstellingen is dat vooraf bekend is hoe een Kapucijn er moet zien.  Deze “specificatie” van de raskenmerken, tekeningspatronen  en de kleurslagen zijn vastgelegd in een standaardomschrijving. De actualiteit wordt gewaarborgd door de Standaardcommissie van de NBS.

Hoewel de standaard toepasbaar is op het gehele spectrum van kleurslagen is er toch als gevolg van de niveauverschillen en specifieke problemen per kleurslag verschil in de interpretatie van  de specifieke eigenschappen  per kleurslag. Wij zullen trachten een duidelijk beeld te scheppen van de raskenmerken op hoofdlijnen en  gegroepeerd de specifieke moeilijkheden per kleurslag te benoemen.

TYPE = HOOFDZAAK

TYPE

Als we de dikke van Dale  erop naslaan zijn er meerdere betekenissen voor type. In dit verband zijn er twee omschrijvingen die belangrijk zijn.

  • Uiterlijk:  in duivenstandaards heet dit het Algemeen voorkomen.
  • Grondvorm: te vertalen in de bouw van het lichaam.

 

Ideaal type – Kort met horizontaal gedragen lichaam – Goed ontwikkelde borstpartij met massa voor en onder de vleugelbogen – Uitgebalanceerde stand, de lijn van hals en lichaam haaks op elkaar – Ruim middelhoog gesteld en zich goed strekkend

Het type met alle aanverwante facetten laat zich maar op één manier correct beoordelen en dat is in een tentoonstellingskooi. Hoe mooi ze op het hok ook zijn de werkelijke waarde wordt bepaald door de mate waarin het dier zich toont in een voor hem of haar vreemde omgeving. Verlangt wordt een middelgrote duif met een goede borstpartij en een compact lichaam. Bij beoordelen van het type kijken we met name naar de volgende onderdelen:

  1.  Lichaamsgrootte

In de standaard staat middelgroot, maar wat is nu eigenlijk middelgroot en hoe bepaal je dat?

  • een O.H. Kapucijn laat zich wat dat betreft het best vergelijken met een forse veldduif.
  • een stevig aandoende duif maar zéér zeker ook een elegante verschijning.
  • ter indicatie een Kapucijn van een goed formaat weegt tussen de 300 en 360 gram.

Kortom er moet dus duidelijk body aanwezig zijn.  Als we met doffers te maken hebben welke wat fijntjes aandoen is het “foute boel”.

  1. Borstbreedte & diepte

Er moet duidelijk massa aanwezig zijn voor, tussen en onder de vleugelbogen.

  • de schouders moeten veel breder zijn dan de staart
  • De borstpartij moet zichtbaar voor de vleugelbogen uittreden.
  • van opzij gezien reikt de borst tot ruim onder de vleugelbogen
  1. Lichaamslengte

Hoewel we een zo korte mogelijke duif verlangen kan een kapucijn “nooit echt kort” zijn om de doodeenvoudige reden dat er “veerlengte noodzakelijk” is voor een goede structuur.

  • Verlangd wordt een wigvormig lichaam, waarbij de grootste breedte zich tussen de schouders bevindt waarna het lichaam taps toeloopt. Anders gezegd een gelijkbenige driehoek, de breedte bedraagt ongeveer 1½ x de lichaamslengte.
  • Het “optisch beeld” wordt mede bepaald door een drietal andere factoren, dit zijn de stand, de hals- & beenlengte en de lengte van de staartveren.

STAND

Een goede O.H. Kapucijn moet bij het beoordelen direct horizontaal gaan staan en zich goed strekken, dit is niet aan te leren dit hebben ze wel of niet.

Het is uitermate belangrijk om te weten dat de inplanting van de benen de stand bepaald. Ook het strekkend vermogen is erfelijk bepaald, het is wel zo dat getrainde dieren zich beter laten beoordelen op een tentoonstelling, logisch gevolg een navenante beloning.

De juiste houding is dus:

  • een horizontaal gedragen lichaam
  • een tenminste horizontaal gedragen staart, ietsje door horizontaal is dus geoorloofd
  • gestrekte hals en benen

HALS- & BEENLENGTE

De lengte levert een belangrijke bijdrage aan het “algemeen voorkomen” van een O.H. Kapucijn, oftewel het optisch beeld.

  • De juiste verhoudingen ten opzichte van het lichaam en elkaar zijn bepalend. Met andere woorden er kan zowel een te weinig als een overdaad aan lengte voorkomen.
  • De naar achteren gehoekte beenstand moet behouden blijven, kortom de beenlengte moet voortkomen uit de lengte van de beenderen en niet door het (over)strekken van het gewricht.

Samenvattend, de meest voorkomende fouten zijn:

  • afhellende en/of gedrukte stand
  • zich niet strekken of zelfs blazen tijdens de beoordeling
  • te smal in borst en/of te weinig borstdiepte
  • te lang in achterpartij
  • te korte hals en/of benen

 

STRUCTUUR

Ook voor de structuur geeft de dikke van Dale  twee betekenissen te weten: bouw en samenstelling. Dat is ook precies waar het om draait bij een O.H. Kapucijn. Immers de (op)bouw en het vloeiend in elkaar overlopen (samenstelling) van de onderdelen bepalen de waarde.

Ook om de structuur goed te kunnen beoordelen is het raadzaam om het dier in een tentoonstellingkooi te plaatsen, omdat bij het in de hand nemen deze namelijk samentrekt waardoor ze minder toont. We onderscheiden de kap, de kraag en de nekvulling met veerscheidingen.

De KAP

Verlangt wordt een hoge, regelmatige en breed naaste de kop uitstaande kap, waarbij de plaatsing van de kap op de schedel een belangrijke bijdrage aan het “optisch beeld” qua type levert. Hoewel de kop geen specifieke rol speelt bij de beoordeling levert deze toch een belangrijke bijdrage aan de structuur immers op een smalle schedel past geen brede kap.

Juist omdat we een behoorlijk hoge kap eisen worden automatisch ook de veren in de achterpartij langer en zolang het niet storend werkt moeten we dit accepteren. Dit onderstreept nog eens het belang van een juist aangezette kap, immers hoe hoger geplaatst, zoveel minder veerlengte nodig is om toch het gewenste effect te verkrijgen.

Zoals reeds gezegd de kapaanzet is vooral in de kooi aan profil goed te beoordelen, terwijl de hoogte, de regelmatige inplanting en de breedte met name van voren worden beoordeeld.

Vooraanzicht van een O.H. Kapucijn-kop.

A. Kaphoogte

B/C. Kap naast de oren even breed als bij A hoog. De afstand van B naar C bedraagt minstens 5 cm

D. De schedelbreedte vormt de basis voor een goede kap

E.  De kraagzijden moeten voldoende van elkaar wijken

A, B, C en E moeten bij zeer goede vogels in een cirkel passen

De KRAAG

De kraag is het gedeelte dat in de hals ontspringt, aansluit op de kap en doorloopt tot op de borst. Bij de beoordeling, wederom van voren bezien in de tentoonstellingskooi, speelt het kraagverloop een cruciale rol.

Allereerst moet de kraag vloeiend, zonder de minste of geringste onderbreking, aansluiten op de kap. Vervolgens moeten deze kraagveren zover én zo regelmatig mogelijk doorlopen tot op de borst en aan beide zijden even lang zijn. Ook de openheid levert een belangrijke bijdrage aan het geheel, de kraag moet niet te nauw sluiten, maar ook niet te wijd zijn.

De kraagbreedte mag “in de hand” beoordeeld worden, waarbij de breedte minimaal 2 cm bedraagt.

Links: Kraag te geknepen – Midden: Kraag te open – Rechts: Ideale kraagbreedte

NEKVULLING & VEERSCHEIDINGEN

De nekvullingen en de veerscheidingen bevinden zich deels opzij en met name achter in de hals. Traditioneel vinden we hier meeste fouten, dat is ook niet zo verwonderlijk gezien de eisen en vele problemen welke deze met zich meebrengen.

Verlangt wordt een rijke dichte en stevige nekvulling die zo breed mogelijk van achteren is, terwijl de veerscheidingen beperkt, d.w.z. zo kort mogelijk en zo laag mogelijk aan weerszijden van de hals zijn aangezet.

Om het gewenste effect te bereiken spelen de twee onderstaande factoren een belangrijke rol:

  • de opbouw (plaats van de rozetten)
  • het aantal veren per cm2

De eerste indruk in de kooi is belangrijk, is de veerscheiding te lang dan is de wordt de opbouw van de nekvulling verstoord. Deze variatie in lengte is de meest voorkomende structuurfout bij de O.H. Kapucijn.

Dit begint bij een wat lange veerscheiding en eindigt bij een veerscheiding welke volledig doorloopt in de nek waarbij de nekvulling wordt onderbroken. In het ergste geval uit zich dit in een tweescheiding waarbij het bovenste gedeelte naar boven groeit terwijl het andere deel naar beneden gericht is. Een andere fout is een dubbele rozet, d.w.z. dat zich aan één of beide zijden van de hals twee veerscheidingen bevinden, hier is géén enkele tolerantie geoorloofd.

De breedte en de stevigheid van de nekvulling wordt bepaald door het aantal aanwezige veren en de stevigheid van deze veren. De stevigheid en de dichtheid laat zich het best beoordelen in de kooi, waarbij we vooral letten op een te losse of gekruiste nekvulling. De breedte laat zich uitstekend beoordelen in de hand door de duif voor u te houden met de kop van u af, hoe breder de verenkolom (aantal per cm2) des te waardevoller het dier. In de praktijk zijn dieren welke hieraan voldoen nog altijd een zeer kleine minderheid, hetgeen al aangeeft dat dit de moeilijkst te realiseren raseigenschap is.

De stevigheid van de veren wordt vooral bepaald door de veerkwaliteit, doorgaans zijn intensief gekleurde O.H. Kapucijnen in meer of mindere behept met haarveren, d.w.z. dat de baarden van de veren wat opener zijn waardoor de veerhaakjes minder in elkaar grijpen.

U moet zich er wel van bewust zijn dat dit onderdeel van de structuur zéér gevoelig is voor ruiverschijnselen met alle mogelijke gevolgen van dien. Vertaald naar de praktijk betekent dit doorgaans dat de structuur in de maanden november en december op zijn fraaist is.

Veel voorkomende structuurfouten zijn:

  • te laag aangezette of voorovervallende kap
  • onregelmatige, geknepen of hoekige kap
  • zichtbare overgang tussen kap en kraag
  • onregelmatig kraagverloop of te korte kraag
  • te nauwe of te wijd openstaande kraag
  • te lange veerscheidingen
  • losse of harige nekvulling
  • smalle of dunne nekvulling

KLEUR EN TEKENING

Bij de O.H. Kapucijn zijn diverse kleurslagen erkend, en hoewel het ras zijn naam te danken heeft aan de karakteristieke monniktekening zijn er diverse tekeningsvariëteiten erkend.

Deze variëteiten zijn geen van alle gelijk van niveau, hiermee dient u als liefhebber en ook de keurmeester rekening te houden, uiteraard met in achtneming van de standaard.

Algemeen kan gesteld worden dat de lakkleuren intensief en  voorzien van de nodige glans verlangt worden, terwijl de voor de gebanden een zo helder mogelijk schild met intensieve banden wordt nagestreefd.

De gemonnikten hebben een gekleurde hals, borst en vleugelschilden, wit zijn de kop, de rug, de staart, 7 tot 12 buitenste pennen aan elke vleugel  en de onderbuik tot iets voor de benen.

Bij de beschrijving per kleurslag wordt dieper ingegaan op de interpretatie van de eisen, de moeilijkheden en hetgeen thans bereikt is. De toegepaste onderverdeling is als volgt:

  • de roeken
  • gemonnikt: lakkleuren
  • gemonnikt: gebanden
  • gemonnikt: getijgerden

OGEN & OOGRANDEN

Een O.H. Kapucijn heeft parelkleurige ogen welke omringd zijn met smalle en rode oogranden. Hierbij is vooral het contrast belangrijk, niet geheel witte ogen omringd door  vuurrode oogranden contrasteren nou eenmaal veel beter dat een spierwit pareloog omringd met een bleke oogrand.  Dus met andere woorden als er sprake is van een mooi contrast is het prima. Dit neemt niet weg dat een pareloog wordt nagestreefd, met andere woorden helder witte ogen zijn een pré. Ook dieren met een minder vurige of zelfs wat bleek aandoende oogranden kunnen nog tot een redelijk predikaat komen.

Helaas is, met name in het verleden, bij de beoordeling vaak teveel nadruk op de oogkleur gelegd waarbij gemakshalve allerlei type fouten (hoofdzaak) werden weggewuifd. In de jaren negentig is dit gelukkig grotendeels rechtgezet al moet worden gezegd dat we qua oogkleur wat terrein hebben moeten prijsgeven.

In de praktijk (fok) komen we bij de O.H. Kapucijn, zo nu en dan de volgende problemen op dit onderdeel tegen:

  • één of zelfs twee donkere ogen
  • gele ogen of bruinachtige ogen
  • balkogen of uitgezakte pupillen
  • grove, brede of bleke oogranden.

De O.H. Kapucijn

  1. Kap, regelmatig en zo hoog mogelijk aangezet
  2. Kraag, vloeiend zo lang mogelijk doorlopend
  3. Nekvulling, vol en gesloten
  4. Veerscheidingen, zo laag mogelijk en beperkt
  5. Vleugel- en  en staartdracht tenminste  horizontaal
  6. Benen,  ruim middellang en gehoekt
  7. Borst, breed, vooruittredend en diep
  8. Hals middellang, goed gestrekt

Rob Joosten 12-06-2001

KAPUCIJNOLOGIE II

In het eerste deel, welke is gepubliceerd in het juni nummer 2001 van Fokkersbelangen en in het jaarboekje 2001 van de OHKFC zijn alle raskenmerken uitvoerig behandeld, het tweede deel richt zich op de diverse (groepen) kleurslagen. Aan de orde komen de interpretatie van de eisen, de specifieke moeilijkheden en het thans bereikte niveau.

DE ROEKEN

Vaak wordt het woord  éénkleurige als synoniem gebruikt voor de roeken en hoewel dit in eerste instantie voor geïnteresseerden een logische benaming lijkt is dit niet correct. De verklaring hiervoor is even logisch als simpel een doodgewone blauwe duif heeft zwarte banden en is dus niet éénkleurig!

Bij de O.H. Kapucijn waren in de oorspronkelijke standaard niet alle thans erkende kleurslagen erkend. Met de verschijning van de witte Kapucijnen ontstond er een dilemma immers het ras heeft haar naam te danken aan de karakteristieke monniktekening welke vrijwel overeenkomt met de traditionele kledij van de orde van paters Kapucijnen.

Hoewel de emoties toentertijd hoog opliepen,  het feit lag er dat er veel animo bestond voor  witte Kapucijnen, zodat men er moeilijk omheen kon, laat staan ze als een  “ander ras” te benoemen. Toen enige fanatieke fokkers nu ruim 18 jaar geleden het plan oppakten om roekkleurige Kapucijnen in rood en geel te creëren werd dit door velen als de “ver van mijn bed show” ervaren, het zou ze immers toch niet gelukken. Echter toen in 1996 de rood- en de geelroeken voor erkenning werden ingezonden moest er door de standaardcommissie slechts één vraag worden beantwoordt: voldeden deze dieren aan de raseigenschappen zoals omschreven in de standaard, met het erkennen van de witten was het fiat voor de roektekening immers reeds gegeven.

Ook nu nog is er hier en daar de nodige aversie tegen de roeken, echter het is veel moeilijker om iets nieuws op te bouwen dan te komen met kritiek op basis van emoties getuige de strijd welke de oprichter van de club en voorvechter voor erkenning wijlen Henk Moezelaar in de vijftiger jaren heeft gevoerd. Gelukkig trekken onze hedendaagse pioniers zich hier weinig van aan, sterker nog vol overgave zijn zij thans bezig met de creatie van nieuwe roekkleurigen.

WITTE KAPUCIJNEN

Het ontstaan van de witte Kapucijn is niet geheel duidelijk, feit is in ieder geval dat de witte Kapucijn genetisch gezien géén witte duif is. Alle genetisch witte duiven hebben donkere ogen, witte Kapucijnen daarentegen hebben een pareloog. Dit betekent dan ook dat het jeugdkleed van een witte Kapucijn alles behalve wit is, echter zij ondergaan net als “het lelijke jonge eendje” een ware metamorfose tijdens hun eerste rui.

De witte O.H. Kapucijn bevindt zich heden ten dagen op een zéér hoog peil, en dan met name bij onze oosterburen. Natuurlijk hebben ook de witten hun eigen specifieke moeilijkheden, op de diverse onderdelen waarbij de meeste in het oogspringende zijn de vaak weinig elegante types waardoor de dieren een grove en of plompe indruk maken. Ook aan de beenlengte wil het nog wel eens schorten, in tegenstelling tot de halslengte.  Een ander typisch verschijnsel bij wit zijn grove oogranden, hoewel dat laatste zo langzamerhand lijkt te zijn overwonnen.

Gelukkig zijn er echter genoeg klasse dieren voorhanden zodat aan de witten de allerhoogste eisen qua type, stand, structuur en uitmonstering gesteld mogen worden gesteld.

In de praktijk leidt dit tot de navolgende consequenties1) bij afwijkingen:

  • één kleine type wens : max. 94 punten (gewoon ZG)
  • stand kan vaster : max. 93 punten (kleine ZG)
  • afhellende stand : max. 92 punten (G)
  • één kleine structuurwens : max. 96 punten (F)

 1) In feite geldt dit schema voor alle kleurslagen welke op hoog niveau staan.

Uiteraard komen we in de praktijk allerlei combinaties van grotere en kleinere afwijkingen tegen welke tezamen uiteindelijk het predikaat bepalen.

 Rode Kapucijnen & gele Kapucijnen

Hoewel het hier twee aparte kleurslagen betreft worden ze toch samen behandeld omdat de ontwikkeling van kleurslagen volledig paralel loopt. In een gesprek dat ik enkele jaren gelden tussen de kooien met de fokker voerde, vertelde hij enthousiast welke rassen er zoal gebruikt zijn, hiervan vind ik de Maltezer Kipduif absoluut het meest in het oog springend. Persoonlijk zou ik hier niet zo gauw aan gedacht hebben, immers bijvoorbeeld een Nederlandse Hoogvlieger ligt meer voor de hand, hetzelfde type, horizontale stand, parelogen, lakkleuren en een blanke snavel!

Bij het beoordelen is direct duidelijk dat deze éénkleurige nog volop in ontwikkeling zijn, toch is er al veel, héél veel bereikt. Dit uit zich met name in de zéér vaste stand welke ze allen lijken te bezitten, ook qua hals- en beenlengte is men er in geslaagd om volledig aan het standaardbeeld te voldoen. Bij de types springt vooral in het oog dat er wel voldoende borstbreedte aanwezig is echter dat het vaak schort aan borstdiepte. Dit beeld wordt optisch vaak nog versterkt door het “hangen” van het achterdons, hetgeen wil zeggen dat de veren achter de benen niet strak worden aangetrokken. Zowel de plussen als de minnen qua type, hals en benen zijn ongetwijfeld het gevolg van het inkruisen van Maltezer Kipduiven. Een andere hardnekkige erfenis welke slechts door jarenlange selectie is weg te werken zijn de aangeslagen, wat donkere snavels.

Het allergrootste probleem om aansluiting te verkrijgen bij de gemonnikten vormt ongetwijfeld de structuur. Meest voorkomende problemen zijn losse vullingen, ongelijke kraaglengte en een onregelmatig kraagverloop. En hoewel er met kruisen met andere rassen veel kan worden verbeterd, hier is slechts één optie voorhanden, juist, de Kapucijn!

Immers er is géén ander ras welke beschikt over een dergelijke specifieke structuur, nu hoor ik sommigen al mompelen en de Raadsheer dan? Echter zowel de opbouw, voorovervallende kap (hoed), dichtgeknepen kraag (ketting) als de lengte van de vulling (manen) wijken té sterk af van de korte, brede stevige structuurveren van onze Kapucijn.

Anders gezegd om qua structuur vooruitgang te boeken zal af en toe een, liefst zo bont mogelijke, gemonnikte ingekruist moeten worden. Kortom echt een uitdaging voor een fokker die over een lange adem beschikt want alleen met selectie en veel geduld kan het aantal veren per cm2 worden opgeschroefd.

Hoewel een aantal punten is behandeld welke voor verbetering vatbaar zijn, wil bovenstaande niet zeggen dat er momenteel géén verdienstelijke dieren voorhanden zijn, integendeel zelfs. De taak van een goed keurmeester is niet alléén het toetsen van het dier aan de eisen zoals beschreven in de standaard maar juist ook het op de hoogte zijn van de actuele situatie in de betreffende kleurslagen, om op basis van deze informatie een waardeoordeel te vellen. Anders gezegd een dier wat op dat moment uitblinkt in type, qua structuur tot de betere behoort in zijn kleurslag en redelijk voldoet qua uitmonstering, moet dan ook evenredig worden beloond, waarbij vooralsnog 96 punten (F) het plafond lijkt te zijn. Het is aan de fokkers om deze barrière te slechten.

 DE GEMONNIKTEN

De eerste O.H. Kapucijnen welke in 1959 ter erkenning werden ingezonden beschikten allen over een karakteristieke tekening, welke toentertijd reeds bekend was bij diverse andere gedomesticeerde duivenrassen en werd aangeduid met de benaming monniktekening.

De oprichters van de speciaalclub beschouwde in de eerste jaren deze tekening als zo karakteristiek dat het ras vernoemd is naar een paterorde uit het Brabantse land waarvan de pij verwel overeenkomt met dit tekeningspatroon. Nu moet u weten dat Henk Moezelaar toentertijd in Brabant woonde en ziedaar het resultaat. Omdat de groep van de gemonnikten vrij groot heb ik deze opgedeeld in drie subgroepen welke qua eisen en huidig niveau redelijk bij elkaar liggen.

LAKKLEUREN

In Nederland is de O.H. Kapucijn in vier lakkleuren erkend, te weten zwart, dun, rood en geel.
Zoals de subtitel reeds aangeeft onderscheidt deze subgroep zich binnen de gemonnikten door hun intensieve, glansrijke bevedering.

Zwartgemonnikte Kapucijnen

Eén voor de oorspronkelijke, ter erkenning ingezonden, kleurslagen bij de Kapucijn is zwartgemonnikt. Nadat in den beginne zwart vrij populair was, nam de animo voor de kleurslag in de 2e helft van de zeventiger jaren sterk af, echter sedert halverwege de tachtiger jaren enkele fokkers er de schouders onder gezet hebben is het crescendo gegaan met de kleurslag. Dit heeft er dan ook toe geleid dat de kleurslag thans absoluut aan de top staat in binnen- en buitenland getuige het feit dat de beste rasvertegenwoordiger regelmatig te vinden is in de zwartgemonnikten.

Natuurlijk kennen de zwarten ook hun problemen in de fokkerij, hoewel de types vaak van een hoog niveau zijn wordt dit op de tentoonstelling lang niet altijd ‘geshowd’ door het dier. Integendeel met name in zwart komen we regelmatig dieren tegen welke zich niet goed strekken tijdens de beoordeling of erger nog zelfs gaan blazen. Dit suggereert dan wel een enorme brede borstpartij echter in werkelijkheid betreft het louter opgezette veren. Juist dit beeld druist volledig in tegen het nagestreefde elegante type. Elegantie is sowieso een aandachtspunt in zwartgemonnikt. Met name in duivinnen, hoe nuttig ook voor de kweek, komen we zo nu en dan plompe types tegen.

Qua structuur zijn er gigantische verbeteringen gerealiseerd, schortte het in het verleden noch al eens aan met name een brede, volle en vaste vulling de laatste jaren doen de toppers in zwart ook op dit gebied absoluut niet onder voor de rood- en geelgemonnikten. De kleur vormt al tientallen jaren géén probleem prachtige diepzwarte kleuren met een groene glans zijn meer regel dan uitzondering. De tekening daarentegen is in de fokkerij zo nu een dan nog wel een probleem, dieren met “dubbele broek” of zelfs bonte buiken in combinatie met witte vleugelbogen en/of slabtekening liggen nog regelmatig in de nestpan.

Natuurlijk komen er in zwartgemonnikt niet alleen topdieren in de kooien echter er is voldoende topmateriaal voorhanden zodat aan deze kleurslag de allerhoogste eisen gesteld mogen worden. Kleine foutjes qua type of in de structuur hebben dan ook direct invloed op het eindpredikaat (vergelijkbaar met wit). Voor wat betreft de stand is iedere vorm van concessie uit den boze.

Dungemonnikte Kapucijnen

Dunkleuren zijn pas in een veel later stadium toegevoegd aan de standaard. In de eerste pakweg 25 jaar van de speciaalclub waren er ook geen fokkers voorhanden welke zich specifiek richten op deze kleurslag. De eerste dunkleuren waren dan ook toevalsproducten als gevolg van kruisingen met geelgemonnikten. Eerst in de 2e helft van de tachtiger jaren werd er langzaam maar zeker getracht om de kleur stelselmatig vast te leggen en zo vaste grond onder de voeten te verschaffen. Toch zijn dunkleuren nog altijd een zeldzame verschijning, hetgeen ik persoonlijk erg betreur. Natuurlijk spreekt de kleur zowel de liefhebber als de leek minder aan dan de overige lakkleuren, het contrast wit/gekleurd is nu eenmaal minder groot. Ook de onduidelijk over hoe de kleur er nu eigenlijk moet uitzien zal hier ongetwijfeld debet aan zijn, de één neigt wat meer naar bruin terwijl de ander de voorkeur geeft aan een soort donkergrijs ruim voorzien van groenglans.

Bij veel rassen komen we het hele scala aan kleuren van bruin tot donkergrijs tegen en allen worden tentoongesteld als dun. Soms biedt de oogkleur uitsluitsel, immers duiven met de bruinfactor kunnen genetisch niet anders dan (vaak erg slechte) parelogen hebben, een goed voorbeeld hiervan is o.a. bruinzilver Duitse Modena. Echter dit selectiecriteria gaat voor de O.H. Kapucijn niet op, immers parelogen worden sowieso geëist. Toch is, voor de fokker in kwestie, tijdens de eerste levensfase goed te herkennen of hij met bruin of dun te maken heeft. Bruin is een intensieve kleur hetgeen inhoud dat de jongen volbedonst geboren worden terwijl alle verdunde kleurslagen kaal geboren worden. Iedereen kent dit wel van geel, geelzilver, blauwzilver etc. Uit eigen ervaring weet ik dat de donkergrijze exemplaren over het gen ‘dilute’ beschikken, zij worden namelijk kaal geboren, wat verantwoordelijk is voor de verdunning van in dit geval zwart.

Hoewel slechts gering in aantal, 5 exemplaren op één show is een unicum, is het peil zeer hoog te noemen. Dunkleuren doen dan ook zeker niet onder voor zwart, integendeel net als bij rood- en geelgemonnikten beschikken dunkleurigen doorgaans over een nog iets rijkere nekvulling dan de zwarten! Dit constateer ik ook reeds enige jaren bij blauw en blauwzilver zonder dat ik hiervoor een daadwerkelijke verklaring kan geven, toch denk ik dat het gen dilute (engels voor verdunnen) invloed heeft op de rijkdom van de structuur, zonder dat ik dat overigens theoretisch kan onderbouwen.

Kortom ook aan dungemonnikt mogen de hoogste eisen worden gesteld. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de speciaalclub een duidelijke keuze moet maken aangaande de juiste kleur, zodat óók dat niet langer een punt van discussie is.

Roodgemonnikte Kapucijnen

Net als zwartgemonnikt is roodgemonnikt vanaf de allereerste standaard erkend. Vanaf het prille begin heeft de rode kleurslag zich kunnen verheugen op een hoge mate van populariteit. Ongetwijfeld is dit van grote invloed geweest op de ontwikkeling van het ras en de kleurslag in het bijzonder. Niet voor niets geldt roodgemonnikt, samen met geelgemonnikt, vanaf het prille begin als de toetskleur, hoewel dit tegenwoordig zeker ook voor zwart en dun geldt.

Toch moeten we ervoor waken dat we niet overdrijven en zeker géén zout op iedere veer, pardon slak, gaan leggen. De Kapucijn is een structuurduif dat betekent dat we hoofd- en bijzaken duidelijk moeten onderscheiden. In rood komen we prachtige typedieren tegen met veel body welke toch elegant zijn, en zo hoort het. Ook aan de hals en benen kunnen hoge eisen gesteld worden, terwijl aan de stand op géén enkele wijze enige vorm van concessie mogelijk. Dieren met een minimale afwijking qua stand reiken maximaal tot 95 punten, terwijl een verder uitmuntend dier met een afhellende stand blijft steken op 92 punten.

Ook aan de structuur kunnen we zeer hoge eisen stellen zoals hoge en regelmatige kappen welke perfect aansluiten op de goed tot op de schouders doorlopende kraag. Toch komen rode Kapucijnen met een echt rijke, brede en vaste nekvulling niet al te vaak voor. Zoals reeds eerder gememoreerd is het typisch dat geelgemonnikt, hoewel beide kleuren al tientallen jaren door elkaar heen gekweekt worden, over het algemeen hierin toch net iets beter is.

De kleur vraagt bijzondere aandacht, met name in Nederland hadden we eind jaren tachtig een wel zéér intensieve lakkleur met veel purperglans bereikt. Echter nare bijkomstigheid was een forse teruggang in de veerkwaliteit, anders gezegd hoe intensiever de kleur des te zachter waren de veren. Onze oosterburen hebben altijd een minder extreme kleurdiepte nagestreefd met als gevolg dat zij verschoond zijn gebleven van deze haarvederigheid. Wellicht speelt ook het feit een rol dat zij bij voorkeur rood aan rood koppelen. Feit is in ieder geval dat een rode geboren uit rood x rood iets meer naar kastanjerood neigt terwijl een rode geboren uit rood en geel een iets zachtere kleur heeft en wat meer naar mahonie neigt. In ieder geval moet een keurmeester er rekening mee houden dat er twee roodvarianten zijn, waarbij nog de één nog de ander de voorkeur geniet, zolang de veerkwaliteit niet in het gedrang komt.

Een ander typisch verschijnsel in roodgemonnikt is dat sommige dieren op latere leeftijd een vage wat donkere aanslag op de bovensnavel krijgen, waarbij het ook wel voorkomt dat deze het daaropvolgende jaar spontaan weer verdwijnt. Toch moeten we er voor waken dat dit niet wordt vastgelegd zodat het alsnog een wezenlijk probleem wordt.

De oogkleur bij rood tenslotte heeft soms wel een jaar nodig om op kleur te komen, hoewel er de laatste jaren ook wel stammen zijn waarbij de ogen veel sneller oplichten. Toch is enige clementie (bijzaak) hier op zijn plaats, en hoewel de aanwezige rode adering niet verdwijnt, de iris daarentegen wordt na verloop van tijd doorgaans aanzienlijk lichter.

Resumerend; voor roodgemonnikt gelden op hoofdpunten de allerhoogste eisen en ook qua tekening en uitmonstering mag de lat zéér hoog gelegd worden, echter hierbij mag nimmer het uit oog verloren worden dat de Kapucijn in de eerste plaats toch een structuurduif is.

Geelgemonnikte Kapucijnen

Geelgemonnikt is de derde, en laatste, kleurslag welke vanaf de allereerste standaard erkend is. Vanaf het prille begin in 1959 zijn de gelen zéér geliefd in binnen- en buitenland, hetgeen zichtbaar tot uiting komt in de forse aantallen welke werden en worden geëxposeerd. Wat dacht u bijvoorbeeld van 31 jonge doffers, of 37 jonge duivinnen op de laatste Duitse clubshow. Vanaf het prille begin, is geel altijd de toetskleur geweest, belangrijk is wellicht ook geweest dat Moezelaar ze zelf ook fokte. Wat mij echter niet helemaal duidelijk is of de gele kleurslag zijn populariteit dankt aan het zéér hoge kwaliteitsniveau, of dat het niveau juist zo hoog is als gevolg van deze populariteit, waarschijnlijk is het een mix van beide.

Hoewel geelgemonnikt absoluut aan de top staat moeten we ervoor waken om niet téveel de nadruk te leggen op bijzaken, zoals dat feitelijk geldt voor alle kleurslagen.

In geel komen we de allerbeste types tegen, krachtige, relatief korte vogels met veel borstbreedte en -diepte en toch vrijwel altijd een elegante verschijning in de kooien. Waren het tientallen jaren vooral de duivinnen die de toon aangaven, tegenwoordig zijn de winnaars juist vaak te vinden in de doffers. Ook dieren met een vaste horizontale stand en begiftigd met lange hals en benen treffen we steeds vaker in de kooien. In de praktijk betekent dit dan ook dat de minste of geringste afwijking op dit onderdeel direct een echt hoge bekroning, 96 of meer punten, onmogelijk maakt.

De allerbeste structuren vinden we vooral in geelgemonnikt, prachtige hoge en open kappen welke perfect aansluiten op de kraag en dan voorzien van een brede en vaste kolom veren in de nek, kortom zoals bedoeld in de standaard. Het enige minpuntje waaraan het regelmatig schort is de kapaanzet, doorgaan zou deze iets hoger op de achterschedel geplaatst kunnen zijn. Natuurlijk komen we ook in geel alle mogelijke andere structuurfouten tegen, echter dit zal direct het predikaat negatief beïnvloeden. Ook aan de tekening mogen relatief hoge eisen gesteld worden, de kleur moet vrij zijn van de ogen, de borst strak afgetekend en een witte slab of vleugelboeg behoort bestraft te worden. De huidige absolute toppers hebben doorgaans weinig tot géén broek, dikwijls in combinatie met een vrije koptekening en 10 bij 10 slagpennen, inclusief gekleurde duimen. De kleur behoort glansrijk te zijn, zonder echter te overdrijven, temeer daar geel, misschien nog wel meer dan rood, gevoelig is voor haarvederigheid. Dus een intensieve kleur in combinatie met een stevige veer verdient voorrang ten opzichte van goudgeel met losse harige veren.

In geelgemonnikt komen we vaak ook prachtige heldere parelogen tegen, zeker in combinatie met vurige oograndjes is dit absoluut een pré, echter indien er voldoende contrast aanwezig is mag dit nimmer het hoogste predikaat in de weg staan. Kortom aan geelgemonnikt kunnen, of zelfs moeten, de allerhoogste eisen gesteld worden echter zonder uit het oog te verliezen waar het nu eigenlijk omdraait bij een goede Kapucijn.

DE GEBANDEN

Van de meer traditionele kleurslagen in de O.H. Kapucijn hebben de gebanden het altijd moeilijk gehad, zeker in de jaren zestig, zeventig en tachtig waren de gebanden een zeldzame verschijning welke kwalitatief schril afstaken ten opzichte van de overige kleuren. Geband was feitelijk het synoniem voor kleine, smalle en lange types gecombineerd met een afhellende stand en losse flodderige structuren, daarmee is waarschijnlijk de geringe populariteit ook direct verklaard. Het aanvankelijk bedenkelijke niveau heeft ongetwijfeld zijn oorsprong in het ontstaan via de Raadsheer. Weliswaar werd zo snel een duif  gecreëerd welke wát van een Kapucijn weg had, echter in werkelijkheid op géén enkel onderdeel voldeed. Henk Moezelaar wilde immers vanaf de erkenning in “alle kenmerken” het tegenovergestelde van Raadsheer bereiken.

Gelukkig hebben vanaf eind tachtiger jaren, een aantal bekende fokkers in binnen- en buitenland de schouders eronder gezet en zeker niet zonder succes.

Blauwzwartgeband gemonnikt

In de 1e jaren van de speciaalclub waren er helemaal géén blauwe Kapucijnen voorhanden al heeft dit niet lang geduurd. En hoewel de populariteit van blauw, zeker onder aanvoering van wijlen heer Fles, in de zeventiger jaren wat toenam, kon de kleurslag in de tachtiger jaren hooguit rekenen op 1 á 2 fokkers. Inmiddels zijn er zowel in Nederland als in Duitsland een paar ervaren fokkers opgestaan welke blauw met behulp van inkruisen van andere rassen en zeker ook gele Kapucijnen in ijl tempo op een hoger niveau hebben gebracht.

Blauw is gelukkig allang géén zeldzame verschijning meer op de Nederlandse shows, bij een volle keuring zijn doorgaans wel een paar blauwe aanwezig. In Duitsland wordt de kleurslag zelfs alsmaar populairder op de laatste clubshow waren er maar liefst 33 aanwezig, wat bij mijn weten een absoluut record is.

Heden ten dagen vinden we in blauw dan ook regelmatig dieren met een stevige body en de gewenste horizontale stand. Ook de borstpartij kan doorgaans de toets der kritiek ruimschoots doorstaan. De meeste  voorkomende typefout zit hem dan ook in de lengte van de achterpartij. Ook qua hals, benen en het tonen hiervan, het strekkend vermogen, komen we nog regelmatig dieren tegen met wensen.

Het grootste probleem vormt ongetwijfeld de nog altijd vrij losse nekvulling, hoewel er incidenteel een dier opduikt wat ook op dit punt duidelijk is verbeterd. De kleur vormt doorgaans geen probleem, er zijn voldoende dieren voorhanden met een helderblauw vleugelschild weke voorzien is van 2 redelijk strakke zwarte banden. Zowel qua oogkleur alsmede de oogranden moeten we er toch rekening mee houden dat het hier bijzaken betreft zodat enige tolerantie gepast is.

In de praktijk van het keuren betekent dit eens temeer dat de nadruk echt moet liggen op de hoofdzaken, waarbij dieren met mooie types, ook al zijn er kleine  wensen qua  structuur of uitmonstering, beloond mogen worden met 96 punten of zelfs méér.

Blauwzilverdonkergeband gemonnikt

Blauwzilver is tot op vandaag de dag een zeldzame verschijning gebleven, toch betreft het hier een prachtige kleurslag. De oorzaak ligt ongetwijfeld in het verlengde van blauwgemonnikt, immers blauwzilver kwam, zeker in de eerste jaren,  zo nu en dan per toeval tevoorschijn bij de blauwfokkerij. In de praktijk waren het dan ook vrijwel altijd duivinnen welke in de kooien verschenen. Gelukkig worden ze tegenwoordig heel bewust gekweekt en met succes mogen we wel zeggen getuige het hoogste predikaat voor een blauwzilver op zowel de laatste Nederlandse als Duitse clubshow. Des te jammerder is het dat ze jaarlijks slechts een enkele keer te bewonderen zijn op een tentoonstelling.

Als we het type bekijken geldt voor blauwzilver vrijwel hetzelfde als voor blauwgemonnikt het probleem zit nog in de lengte van de dieren, ook voor blauwzilver geldt dat het strekken zo nu en dan beter kan. Toch zijn de fokkers, de laatste pakweg 4-5 jaar, erin geslaagd om duidelijk meer lengte in hals en benen te bewerkstelligen.

Zoals ik eerder al heb aangegeven hebben blauwzilvers al een aanzienlijk dikkere nekvulling dan de blauwen, wat ongetwijfeld weer verband houdt met de verdunningsfactor. Ook een heldere schildkleur mag worden verlangd, liefst met zo donker mogelijke, verdund zwarte, banden. Met name deze banden bevatten zo nu en dan wat “roest” als gevolg van de vele kruisingen, zolang dit niet te extreem is wordt dit getolereerd. Duivinnen hebben een wat donkerder, meer blauwe, borstkleur, omdat dit genetisch wordt bepaald is enige clementie gepast.

Samenvattend kan gezegd worden dat blauwzilver binnen de subgroep geband momenteel zondermeer toonaangevend is. Toch kunnen ze zich nog niet helemaal met de toetskleuren meten al zijn de fokkers vastbesloten om ook deze laatste uitdaging succesvol af te ronden.

Roodzilvergeband gemonnikt

Met de roodzilvergebanden zijn we aanbeland bij één van de meest zeldzame van de erkende kleurslagen in Europa. Op de laatste clubshow in Duitsland (430 stuks) zaten er slechts 2 in de kooien, terwijl bij de Internationale Structuurduivenshow de teller op 5 bleef steken.

Toch zijn er, na het ontstaan van blauwgemonnikt en de vele kruisingen met rood- en geelgemonnikt, ongetwijfeld vaak genoeg roodzilvers geboren. Immers juist roodzilver, genetisch aangeduid met Asrood,  is de meest dominante basiskleur bij duiven. We moeten dan ook concluderen dat de fokkers blijkbaar géén interesse voor de kleurslag hadden en misschien wel hebben. Het feit dat roodzilver eerst in de jaren negentig is erkend in Duitsland is hiervoor illustratief te noemen. Persoonlijk ben ik de mening toegedaan dat roodzilver behoord tot de allermooiste kleurslagen in vrijwel alle duivenrassen en gelukkig is de kleur bij veel rassen wel populair.

Waarschijnlijk speelt ook het bereikte niveau een grote rol, het laatste F-predikaat in de kleurslag, welke ik mij kan herinneren stamt uit 1992!

In de jaren tachtig bloeide de kleurslag wat op, omdat er één actieve fokker was. Dit resulteerde in prachtige kleuren, vooral bij doffers, echter qua type was er nauwelijks wat veranderd. De dieren konden forser, meer borst hebben en een horizontale stand bezat er géén één. Hetzelfde gold feitelijk voor de structuren, de kappen waren vaak wel mooi open, echter de nekvulling bleef hier ver bij achter, evenals fouten in het kraagverloop en kraaglengte.

Ook voor roodzilvergeband geldt dat de borstkleur bij de duivinnen wat donker, blauwer is als bij de doffers, de oorzaak ligt wederom opgesloten in de genetica. Momenteel wordt er door fokkers in zowel Nederland als Duitsland, met name achter de schermen, hard gewerkt aan de verbetering van deze fraaie kleurslag. Voor deze kleurslag geldt dan ook dat als er al eens een  dier op de show verschijnt en zowel het type, stand en de structuur is redelijk tot goed, dan kom je al gauw aan de 94 tot 95 punten. Als het dier dan ook nog over een redelijke kleur, tekening en uitmonstering beschikt, mag of beter moet dit navenant beloond worden.

Geelzilvergeband gemonnikt

Hoewel geelzilvergeband de verdunning is van de roodzilvergebanden loopt de geschiedenis van beide kleurslagen niet paralel. In tegenstelling tot roodzilver heeft geelzilver toch altijd ‘n enkele fokker aan zich weten te binden. Opvallend is ook dat geelzilver in Duitsland, al begin tachtiger jaren is erkend in tegenstelling tot de roodzilvergebanden, terwijl het genetisch toch de verdunning hiervan is.

Tot voor pakweg 10 jaar geleden kwam het niveau van rood- en geelzilvergeband vrijwel overeen. Ook hier in het verleden prachtige kleuren maar op de hoofdpunten zoals type, stand en structuur legio fouten. Begin jaren negentig verdwenen ze geruisloos vrijwel helemaal van het toneel. Gelukkig zien we ze, zij het in kleine aantallen, de laatste jaren weer regelmatig op de grote shows in Nederland en Duitsland.

Maar dat niet alleen, als gevolg van de vele kruisingen kunnen de huidige dieren zowel qua type als qua stand wedijveren met de toetskleuren. Ook in de structuren zijn grote verbeteringen gerealiseerd. De huidige toppers zitten thans dicht tegen de toetskleuren aan. Het grote manco zit hem momenteel in de schildkleur, de wat blauwere borst bij duivinnen moet ook hier geaccepteerd worden, de oogranden en in iets mindere mate de oogkleur.

Voor de beoordeling betekend dit dat op de hoofdpunten de lat net ietsje onder de top mag  worden gelegd, voor de bijzaken is het verstandig om de eerste jaren nog wat meer clementie te betrachten.

 DE GETIJGERDEN

Met de getijgerden zijn we bij de laatste subgroep beland. Getijgerd heeft altijd een speciale plaats ingenomen onder de Kapucijnen, omdat deze kleurslag nu eenmaal voor wat betreft de tekening niet goed is vast te leggen. Hoewel dit foktechnisch een “extra” handicap hebben de getijgerden vrijwel altijd een kleine, maar harde kern, liefhebbers gehad. Gestreefd wordt naar ‘n fiftyfifty verdeling, dat wil zeggen dat op het lichaam de veren om en om hetzij wit dan wel gekleurd zijn, met behoud van de karakteristieke monniktekening. In de praktijk genieten, zeker bij jonge vogels, dieren waarbij de gekleurde deel wat de overhand heeft de voorkeur omdat bij veel stammen de witte bevedering met het verstrijken der jaren toeneemt. Toch zijn er inmiddels stammen waar de tijgertekening nadat de 1e rui is voltooid niet of nauwelijks nog aan verandering onderhevig is. Maar zelfs dan nog moeten er regelmatig lakkleurige gemonnikte ingezet worden om voldoende kleur te behouden.

Getijgerden zijn in ons land erkend in zwart, rood, geel en blauw, aangezien we deze laatste op de Europese shows nooit tegenkomen worden deze ook niet beschreven.

Zwartgetijgerd gemonnikt

Binnen de subgroep is zwartgetijgerd door de jaren heen altijd de meest populaire vertegenwoordiger geweest. Het gegeven dat het contrast tussen de gekleurde en de witte veren bij zwarttijger het grootst is zal hierin ongetwijfeld een rol spelen.

Omdat zwartgetijgerd vrijwel altijd via zwartgemonnikt wordt gefokt mogen de eisen flink worden opgeschroefd. Zeker qua type, stand en strekkend vermogen doet zwartgetijgerd niet onder voor zwartgemonnikt.  Helaas zijn de fokkers er nog niet in geslaagd om mee te profiteren van de gerealiseerde verbeteringen qua structuren in het zwart. Zeker, in zwartgetijgerd komen we genoeg hoge en regelmatige kappen tegen. Ook problemen het kraagverloop of –lengte komen we niet veel meer tegen. Nee, het probleem zit hem in de doorgaans wat te losse nekbevedering. De zwartfokkers zijn erin geslaagd om middels talloze kruisingen met geelgemonnikt brede en vaste vullingen te creëren, terwijl het de tijgerfokkers blijkbaar niet is gelukt om in hun kielzog mee te gaan.

Opvallend is ook dat zwartijgers doorgaans wat witter zijn dan rood- & geelgetijgerd. Bij zwartgetijgerd heb je het gevoel dat het een witte duif met gekleurde veren is, terwijl dit bij rood- & geelgetijgerd precies andersom is. Veel zwartgetijgerden laten het dan ook met name in de borsttekening afweten, doorgaans overheersen hier de witte veren. Toch heeft de speciaalclub duidelijk een standpunt bepaald voor “alle” tijgerden. Het streven is vooral gericht op een gelijkmatige kleurverdeling over het gehele lichaam, dus zowel in de borst, als op het vleugelschild en de hals. Of de verhouding dan 50-50, 60-40 of 40-60 is doet minder ter zake. Ingeval er sprake is van aaneengesloten veervelden, hetzij wit of gekleurd, spreken we niet meer van getijgerd maar van bont en die zijn nou eenmaal niet erkend. Naast de kleurverdeling is ook de intensiviteit van de kleur belangrijk, per veer behoort er slechts één kleur aanwezig te zijn. Als dit niet zo is hebben we te maken met schimmelveren.

In de praktijk betekent dit dat aan het type, de stand, het strekken, de kap, de kraag, ogen en de oogranden dezelfde hoge eisen gesteld mogen worden als aan zwartgemonnikt. Voor de nekvulling is vooralsnog “enige” clementie, maar ook niet meer dan dat op zijn plaats. Voor wat de betreft de tekening moet het zwaartepunt op de gelijkmatige verdeling liggen, zonder te overdrijven het is immers in de 1e plaats een structuurduif.

Roodgetijgerd gemonnikt

Met name bij onze oosterburen is roodgetijgerd al enige decennia populair, maar ook in ons land is er altijd wel één of meerdere liefhebbers serieus mee bezig geweest. En hoewel de moeilijkheden, zeker op het gebied van de tijgertekening legio zijn, is er zowel in eigen land als daarbuiten al jarenlang een fijne kwaliteit voorhanden. Op zichzelf is dit ook niet zo erg verwonderlijk immers tijgers kweek je met behulp van gemonnikten. Rood- en of geelgemonnikten in dit geval om precies te zijn, en juist die kleurslagen hebben vanaf de wieg aan de top gestaan. Het is dan ook absoluut géén unicum,  zeker in Duitsland,  wanneer het hoogste predikaat wordt toegekend aan een roodtijger.

Zoals bij zwarttijger reeds gememoreerd hebben roodtijgers doorgaans op het lichaam meer donkere dan witte veren. Zolang er géén sprake is van grote gekleurde vlakken, zogenaamde bonten, is dit acceptabel. Tot voor enkele jaren geleden zagen we met name in Duitsland dieren in de kooien welke aan de borst vóór de overgang naar de witte buik een grote brede gekleurde band hadden. Het argument van de fokker in kwestie dat dit nodig was omdat een rode veer wit dons heeft is mijns inziens totaal niet relevant. Hoe het ook zij, feit is dat ook deze fokker er inmiddels in is geslaagd om dieren te fokken welke wel voldoen aan de eisen qua kleurverdeling.

De laatste jaren zien we ook regelmatig dieren opduiken met een extreme hals- en beenlengte, op zichzelf natuurlijk prettig ware het niet dat deze dieren vrijwel allemaal mank gaan aan te tekort aan borstbreedte en vooral –diepte. Dit suggereert dan wel veel lengte echter het is meer optisch bedrog dan werkelijkheid.

Toch mogen in de roodgetijgerden aan het type, de stand, hals, benen, alle structuuronderdelen de ogen en de oogranden zonder enige scrupules dezelfde eisen worden gesteld als aan roodgemonnikt, al dient de keurmeester er wel enigszins rekening mee te houden dat ze in  aanzienlijk mindere aantallen in de kooi verschijnen dan roodgemonnikt. Anders gezegd, ook voor roodgetijgerd geldt, let eerst op hoofdzaken en eerst dan op bijzaken, zonder uit het oog te verliezen dat het wel een tijger moet blijven.

Geelgetijgerd gemonnikt

Net zo als bij roodgetijgerd heeft geelgetijgerd altijd wel een kleine schare fokkers achter zich gehad. Dit is natuurlijk niet onlogisch als je bedenkt dat deze kleurslagen uitstekend door elkaar heen te fokken zijn. Ook qua niveau verschillen rood- en geelgetijgerd nauwelijks van elkaar, met uitzondering misschien van de toch nog iets rijkere nekvulling bij de geelgetijgerden, waar hebben we dat meer gehoord!

Hoewel er wel degelijk stammen zijn waar de dieren na de 1e rui niet meer veranderen qua tekeningspatroon, en soms zelfs met goed resultaat getijgerd aan getijgerd wordt gepaard, zijn er toch gemonnikten nodig in de fokkerij. De reden hiervoor is tweeledig enerzijds is dit noodzakelijk om voldoende tekening te behouden, anderzijds ontstaan er al snel schimmelveren bij getijgerd maal getijgerd. Bovendien zien we doorgaans bij de toename van het aantal schimmelveren een afname van de kleurdiepte optreden. De kleurverdeling is, net als bij roodgetijgerd, een belangrijk aandachtspunt. Vrij regelmatig zien we nog dieren in de kooien welke enigszins behept zijn met grote hetzij witte of gele veervelden.

Zoals gezegd, het niveau is zondermeer zéér hoog te noemen. We zien dan ook, zeker in Duitsland, regelmatig prachtige elegante dieren met sublieme types in de kooien. Ook de structuren zijn, op alle onderdelen, van een hoog niveau. Ook aan de ogen en de oogranden mogen dezelfde eisen gesteld worden als aan de toetskleuren. Hetzelfde geldt feitelijk voor de monniktekening, deze dient, óók bij een getijgerde, tenminste vrij te zijn van de ogen en scherpt begrensd te zijn voor de benen.

Kortom ook aan geelgetijgerd mogen zeer hoge eisen gesteld worden waarbij er duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen hoofd- en bijzaken.

Slotwoord

In deel I (2001) zijn alle actuele onderdelen van de Kapucijn gedetailleerd beschreven en in deel II zijn de thans erkende kleurslagen de revue gepasseerd.

Toch wil dit niet zeggen dat daarmee alles is gezegd, immers u moet er zich van bewust zijn dat onze duivenrassen continu aan evolutie onderhevig zijn. Dit betekent dikwijls dat op  bepaalde punten het niveau verbeterd. Logisch gevolg is, dat daarmee ook de lat steeds hoger komt te liggen. Dit is het best te vergelijken met snelheidssporten, immers jaarlijks sneuvelen er een aantal wereldrecords! Zolang daar géén ongeoorloofde middelen aan te pas komen is dat natuurlijk prachtig. We mogen ons gelukkig prijzen dat we dergelijke praktijken in onze liefhebberij niet of nauwelijks tegen komen.

Ook het aantal kleurslagen evolueert nog steeds, binnen en buiten onze landsgrenzen zijn er inmiddels al kleurslagen gecreëerd welke in Nederland nog niet erkend zijn. Wat denkt uw bijvoorbeeld van almond, andalusisch blauw, bruin of reduced om er maar eens een paar te noemen. Kortom vooral op dit gebied kunnen we zeker nog wel het een en ander verwachten. Sommigen zitten daar niet op te wachten, anderen zien het juist als een verrijking. Gelukkig bepaald in onze maatschappij ieder individu zelf wat hij of zij mooi vindt.

Rob Joosten

Nijmegen, 16 augustus 2002

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.