Kapucijnologie 1

RASKENMERKEN

De Oud Hollandse Kapucijn is al jarenlang Neerlands meest populairste vertegenwoordiger uit de groep structuurduiven. Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk omdat het ras reeds vaste voet aan de grond kreeg in ons kikkerlandje ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.  De toentertijd door zeelieden meegebrachte dieren belanden vooral op de boerenhoeven.  De bewijsvoering van hun aanwezigheid is o.a. geleverd door grote meesters als Jan Steen en Melchior d’Hondecoeter. Aan de bekende Hollandse meester Jan Steen, heeft het ras ook zijn bijnaam; “De duifjes van Jan Steen” te danken. Heden ten dage zijn deze Kapucijntjes van toen te bewonderen in musea.

De eerste afbeeldingen van op onze moderne Kapucijnen gelijkende duiven stammen al van bijna vier eeuwen geleden getuige onderstaande afbeelding hetgeen nog maar eens bewijst dat het ras reeds lange tijd in Europa aanwezig is. Reeds op 16 november 1928 heeft het Duitse Geflügelburse de hele voorpagina gebruikt voor een uitgebreid artikel over Die Kapuzinertaube.  

Afb. Le Pigeon Nonain uit 1770
Afb. Deux Pigeons uit 1860 van M. Emile Faivre

De zeer bekende en gewaardeerde keurmeester Henk Moezelaar was in Nederland de grote promotor van de Kapucijn. Hij slaagde er als eerste in om, de Kapucijn, welke reeds eeuwen op vele boerderijen in Europa voorkwam, in het jaar 1959 in Nederland erkend te krijgen als tentoonstellingsduif. Vandaar ook het Oud Hollandse in de naam. Uit veel later opgedoken stukken is wel gebleken dat er o.a. in België ook enkele fokkers mogelijk zelfs al eerder fanatiek bezig waren om de Kapucijn erkend te krijgen in hun land echter tot op dat moment zonder succes.

Vanaf het moment dat de kapucijn de status van tentoonstellingsduif bereikte is het crescendo gegaan met het ras. Een belangrijke voorwaarde om te kunnen meedingen op tentoonstellingen is dat vooraf bekend is hoe een Kapucijn er moet zien.  Deze “specificatie” van de raskenmerken, tekening patronen en de kleurslagen zijn vastgelegd in een standaardomschrijving. De afgelopen jaren zijn veel Nationale duivenstandaards ge-update naar een officiële Europese standaard die bindend is voor alle bij de Entente Européenne (Europese Bond) aangesloten landen. Zo ook de standaard van de O.H. Kapucijn waarmee zeker gesteld is, dat binnen Europa alle fokkers hetzelfde ideaalbeeld nastreven. Omdat de Kapucijn als eerste in Nederland als ras erkend is, is Nederland standaardbepalend binnen Europa, waarbij de speciaalclub een grote inbreng heeft op de inhoud van de standaard en de bijbehorende tekening. Om eenheid in standaards te creëren hebben de bonden van de aangesloten landen (27) spelregels opgesteld voor de Europese standaard. Het actualiseren van de standaard is een samenspel tussen de speciaalclub en de Standaardcommissie van de NBS. De commissie bewaakt of voorgestelde wijzigingen niet conflicteren met de algemene regels en richtlijnen, dierenwelzijn etc.

De populariteit van de Kapucijn is niet enkel beperkt gebleven tot Europa, integendeel zelfs; op alle continenten treffen we Kapucijnen aan we kunnen dan ook gerust spreken van een Globetrotter. In de USA bestaat er ook een actieve speciaalclub, onder de bezielende leiding van Layne Gardner. Gelukkig oriënteren ook de Amerikanen zich op Europa, hanteren onze standaard en bezoeken regelmatig tentoonstellingen in Nederland maar ook Duitsland wat de wereldwijde eenheid alleen maar bevorderd.

Hoewel de Europa standaard (EE) toepasbaar is op het gehele spectrum van kleurslagen is er toch als gevolg van de niveauverschillen en specifieke problemen per kleurslag verschil in de interpretatie van de specifieke eigenschappen per kleurslag.

In deel 1 worden alle raskenmerken op hoofdlijnen behandeld. Deel 2 behandeld, gegroepeerd de specifieke moeilijkheden, lees de actuele status, per kleurslag.

TYPE = HOOFDZAAK

TYPE

Als we de dikke van Dale erop naslaan zijn er meerdere betekenissen voor type. In dit verband zijn er twee omschrijvingen die belangrijk zijn.

  • Uiterlijk              :  in duivenstandaards heet dit het Algemeen voorkomen.
  • Grondvorm       : te vertalen in de bouw van het lichaam.

 

Ideaal type

Kort met horizontaal gedragen lichaam

Goed ontwikkelde borstpartij met massa voor en onder de vleugelbogen

Uitgebalanceerde stand, de lijn van hals en lichaam haaks op elkaar

Ruim middelhoog gesteld en zich goed strekkend    

Het type met alle aanverwante facetten laat zich maar op één manier correct beoordelen en dat is in een tentoonstellingskooi. Hoe mooi ze op het hok ook zijn de werkelijke waarde wordt bepaald door de mate waarin het dier zich toont in een voor hem of haar vreemde omgeving. Verlangt wordt een middelgrote duif met een goede borstpartij en een compact lichaam. Bij beoordelen van het type kijken we met name naar de volgende onderdelen:

  1. Lichaamsgrootte

In de standaard staat middelgroot, maar wat is nu eigenlijk middelgroot en hoe bepaal je dat?

  • een O.H. Kapucijn laat zich wat dat betreft het best vergelijken met een forse veldduif. 
  • een stevig aandoende duif maar zéér zeker ook een elegante verschijning.
  • ter indicatie een Kapucijn van een goed formaat weegt tussen de 300 en 360 gram.

Kortom er moet dus duidelijk body aanwezig zijn.  Als we met doffers te maken hebben welke wat fijntjes aandoen is het “foute boel”. 

  • Borstbreedte & diepte

Er moet duidelijk massa aanwezig zijn voor, tussen en onder de vleugelbogen.

  • de schouders moeten veel breder zijn dan de staart
  • de borstpartij moet zichtbaar voor de vleugelbogen uittreden.
  • van opzij gezien reikt de borst tot ruim onder de vleugelbogen

3.  Lichaamslengte

Hoewel we een zo korte mogelijke duif verlangen kan een Kapucijn “nooit echt kort” zijn om de doodeenvoudige reden dat er “veerlengte noodzakelijk” is voor een hoge kap.

  • Verlangt wordt een wigvormig lichaam, waarbij de grootste breedte zich tussen de schouders bevindt waarna het lichaam taps toeloopt. Anders gezegd een gelijkbenige driehoek, de breedte bedraagt ongeveer 1½ x de lichaamslengte.
  • Het “optisch beeld” wordt mede bepaald door een drietal andere factoren, dit zijn de stand, de hals- & beenlengte en de lengte van de staartveren.

STAND

Een goede O.H. Kapucijn moet bij het beoordelen direct horizontaal gaan staan en zich goed strekken, dit is niet aan te leren dit hebben ze wel of niet.

Het is uitermate belangrijk om te weten dat de inplanting van de benen de stand bepaald. Ook het strekkend vermogen is erfelijk bepaald, het is wel zo dat getrainde dieren zich beter laten beoordelen op een tentoonstelling, logisch gevolg een navenante beloning.

De juiste houding is dus:

  • een horizontaal gedragen lichaam
  • een tenminste horizontaal gedragen staart, ietsje door horizontaal is dus geoorloofd
  • gestrekte hals en benen

HALS- & BEENLENGTE

De lengte levert een belangrijke bijdrage aan het “algemeen voorkomen” van een O.H. Kapucijn, oftewel het optisch beeld.

  • de juiste verhoudingen ten opzichte van het lichaam en elkaar zijn bepalend. Met andere woorden er kan zowel een te weinig als een overdaad aan lengte voorkomen.
  • de naar achteren gehoekte beenstand moet behouden blijven, kortom de beenlengte moet voortkomen uit de lengte van de beenderen en niet door het (over)strekken van het gewricht.

Samenvattend, de meest voorkomende fouten zijn:

  • afhellende en/of gedrukte stand
  • zich niet strekken of zelfs blazen tijdens de beoordeling
  • te smal in borst en/of te weinig borstdiepte
  • te lang in achter partij
  • te korte hals en/of benen
Afhellende stand, Kap hoger aangezet, Kleur vast aan oog, Kleur in benen
Stand kan vaster, Doorlopende Rozet, Onderbroken nekvulling
Lang in achterpartij, kortbenig, Overhellende kap, gekleurd oog

STRUCTUUR

Ook voor de structuur geeft de dikke van Dale twee betekenissen te weten: bouw en samenstelling. Dat is ook precies waar het om draait bij een O.H. Kapucijn. Immers de (op)bouw en het vloeiend in elkaar overlopen (samenstelling) van de onderdelen bepalen de waarde.

Om de structuur goed te kunnen beoordelen is het raadzaam om het dier eerst in een tentoonstellingskooi te plaatsen, omdat bij het in de hand nemen deze namelijk samentrekt waardoor ze minder of juist beter toont. Aan de voorkant wil een Kapucijn nog weleens de kraag wat dichtknijpen, samentrekken, in de hand. Ditzelfde samentrekken kan echter de opbouw en de nekvulling in de hand juist veel beter doen lijken als de werkelijkheid. Vandaar het eerste oordeel kan het best gegeven worden als het dier zich op zijn gemak voelt in een tentoonstellingskooi. We onderscheiden de kap, de kraag en de nekvulling met aan beide zijden de veerscheidingen.

De KAP

Verlangt wordt een hoge, regelmatige en breed naaste de kop uitstaande kap, waarbij de plaatsing van de kap op de schedel een belangrijke bijdrage aan het “optisch beeld” qua type levert. Hoewel de kop geen specifieke rol speelt bij de beoordeling levert deze toch een belangrijke bijdrage aan de structuur immers op een smalle schedel past geen brede kap.

Juist omdat we een behoorlijk hoge kap eisen worden automatisch ook de veren in de achterpartij langer en zolang het niet storend werkt moeten we dit accepteren. Dit onderstreept nog eens het belang van een juist aangezette kap, immers hoe hoger geplaatst, zoveel minder veerlengte nodig is om toch het gewenste effect te verkrijgen.

Zoals reeds gezegd de kapaanzet is vooral in de kooi aan profil goed te beoordelen, terwijl de hoogte, de regelmatige inplanting en de breedte met name van voren worden beoordeeld.  

Vooraanzicht van een O.H. Kapucijn-kop.    

A. Kaphoogte
B/C.  Kap naast de oren even breed als bij A hoog.
De afstand van B naar C bedraagt minstens 5 cm
D. De schedelbreedte vormt de basis voor een goede kap
E. De kraagzijden moeten voldoende van elkaar wijken  

A, B, C en E moeten bij zeer goede vogels in een cirkel passen  

De KRAAG

De kraag is het gedeelte dat in de hals ontspringt, aansluit op de kap en doorloopt tot op de borst. Bij de beoordeling, wederom van voren bezien in de tentoonstellingskooi, speelt het kraagverloop een cruciale rol.

Allereerst moet de kraag vloeiend, zonder de minste of geringste onderbreking, aansluiten op de kap. Vervolgens moeten deze kraagveren zover én zo regelmatig mogelijk doorlopen tot op de borst en aan beide zijden even lang zijn. Ook de openheid levert een belangrijke bijdrage aan het geheel, de kraag moet niet te nauw sluiten, maar ook niet te wijd zijn. Feitelijk streven we naar een geleidelijk en licht naar binnen lopen van de kraag onder de kop, een beetje de vorm van een sleutelgat.

Kraag te geknepen – Kraag te open – Ideale kraagbreedte

NEKVULLING & VEERSCHEIDINGEN

De nekvullingen en de veerscheidingen bevinden zich deels opzij en met name achter in de hals. Traditioneel vinden we hier meeste fouten, dat is ook niet zo verwonderlijk gezien de eisen en vele problemen welke deze met zich meebrengen.

Verlangt wordt een rijke dichte en stevige nekvulling die zo breed mogelijk van achteren is, terwijl de veerscheidingen beperkt, d.w.z. zo kort mogelijk en zo laag mogelijk aan weerszijden van de hals zijn aangezet.

 Om het gewenste effect te bereiken spelen de twee onderstaande factoren een belangrijke rol:

  • de opbouw (plaats van de rozetten)
  • het aantal veren per cm2

De eerste indruk in de kooi is belangrijk, is de veerscheiding te lang dan is de wordt de opbouw van de nekvulling verstoord. Deze variatie in lengte is de meest voorkomende structuurfout bij de O.H. Kapucijn.

Dit begint bij een wat lange veerscheiding en eindigt bij een veerscheiding welke volledig doorloopt in de nek waarbij de nekvulling wordt onderbroken. In het ergste geval uit zich dit in een tweescheiding waarbij het bovenste gedeelte naar boven groeit terwijl het andere deel naar beneden gericht is. Een andere fout is een dubbele rozet, d.w.z. dat zich aan één of beide zijden van de hals twee veerscheidingen bevinden, hier is géén enkele tolerantie geoorloofd. Juist omdat onze keurmeesters altijd erg alert zijn geweest om de dubbele rozet aan te pakken komt dit verschijnsel bij de moderne Kapucijn vrijwel niet meer voor.

De breedte en de stevigheid van de nekvulling wordt bepaald door het aantal aanwezige veren en de stevigheid van deze veren. De stevigheid en de dichtheid laat zich het best beoordelen in de kooi, waarbij we vooral letten op een te losse of gekruiste nekvulling. De breedte laat zich uitstekend beoordelen in de hand door de duif voor u te houden met de kop van u af, hoe breder de verenkolom (aantal per cm2) des te waardevoller het dier. In de praktijk zijn dieren welke hieraan voldoen nog altijd een zeer kleine minderheid, hetgeen al aangeeft dat dit de moeilijkst te realiseren raseigenschap is.

De stevigheid van de veren wordt vooral bepaald door de veerkwaliteit, doorgaans zijn intensief gekleurde O.H. Kapucijnen in meer of mindere mate behept met haarveren, d.w.z. dat de baarden van de veren wat opener zijn waardoor de veerhaakjes minder in elkaar grijpen.

U moet zich er wel van bewust zijn dat dit onderdeel van de structuur zéér gevoelig is voor ruiverschijnselen met alle mogelijke gevolgen van dien. Vertaald naar de praktijk betekent dit doorgaans dat de structuur in de maanden november en december op zijn fraaist is.

Veel voorkomende structuurfouten zijn:

  • te laag aangezette of voorovervallende kap
  • onregelmatige, geknepen of hoekige kap
  • zichtbare overgang tussen kap en kraag
  • onregelmatig kraagverloop of te korte kraag
  • te nauwe of te wijd openstaande kraag
  • te lange veerscheidingen
  • losse of harige nekvulling
  • smalle of dunne nekvulling

KLEUR EN TEKENING

Bij de O.H. Kapucijn zijn diverse kleurslagen erkend, en hoewel het ras zijn naam te danken heeft aan de karakteristieke monniktekening zijn er diverse tekeningsvariëteiten erkend.

Deze variëteiten zijn geen van alle gelijk van niveau, hiermee dient u als liefhebber en uiteraard ook de keurmeester rekening mee te houden. Dit uiteraard wel binnen de grenzen van de standaard.

Algemeen kan gesteld worden dat de lakkleuren intensief en voorzien van de nodige glans verlangd worden, terwijl de voor de gebanden een zo helder mogelijk schild met intensieve banden wordt nagestreefd.

De gemonnikten hebben een gekleurde hals, borst en vleugelschilden, wit zijn de kop, de rug, de staart, 7 tot 12 buitenste pennen aan elke vleugel en de onderbuik tot iets voor de benen.

 Bij de beschrijving per kleurslag wordt dieper ingegaan op de interpretatie van de eisen, de moeilijkheden en hetgeen thans bereikt is. De toegepaste onderverdeling is als volgt:

  • de roeken
  • gemonnikt: lakkleuren
  • gemonnikt: gebanden & gekrasten
  • gemonnikt: getijgerden & schimmels

OGEN & OOGRANDEN

Een O.H. Kapucijn heeft parelkleurige ogen welke omringd zijn met smalle en rode oogranden. Hierbij is vooral het contrast belangrijk, niet geheel witte ogen omringd door vuurrode oogranden contrasteren nou eenmaal veel beter dat een spierwit pareloog omringd met een bleke oogrand.  Dus met andere woorden als er sprake is van een mooi contrast is het prima. Dit neemt niet weg dat een pareloog wordt nagestreefd, met andere woorden helderwitte ogen zijn een pré. Ook dieren met een minder vurige of zelfs wat bleek aandoende oogranden kunnen nog tot een redelijk predikaat komen. 

Helaas is, met name in het verre verleden, bij de beoordeling vaak te veel nadruk op de oogkleur gelegd waarbij gemakshalve allerlei type fouten (hoofdzaak) werden weggewuifd. In de jaren negentig is dit gelukkig grotendeels rechtgezet al moet worden gezegd dat we qua oogkleur wat terrein hebben moeten prijsgeven. Maar tegenwoordig komen we ook regelmatig dieren tegen met prachtige heldere ogen.

In de praktijk, tijdens het fokken, komen we bij de O.H. Kapucijn, zo nu en dan de volgende problemen op dit onderdeel tegen:

  • tegen één of zelfs twee donkere ogen
  • gele ogen of bruinachtige ogen
  • balkogen of uitgezakte pupillen
  • grove, brede of bleke oogranden.

De O.H. Kapucijn

  1. Kap, regelmatig en zo hoog mogelijk aangezet
  2. Kraag, vloeiend zo lang mogelijk doorlopend
  3. Nekvulling, vol en gesloten
  4. Veerscheidingen, zo laag mogelijk en beperkt
  5. Vleugel- en staartdracht tenminste horizontaal
  6. Benen, ruim middellang en gehoekt
  7. Borst, breed, vooruittredend en diep
  8. Hals middellang, goed gestrekt

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.